Jong talent

Philharmonisch Orkest Mozart geeft jonge talenten de kans om te soleren met een symfonieorkest.

Op 2 en 3 november 2019 speelde Josefien de Waele (foto) het harpconcert van Carl Reinecke.

Klik hieronder door naar het interview met Josefien:

‘Ik wil het publiek meenemen naar een andere wereld’

Op 11 en 12 mei 2019 soleerde: Belemir Baran, concertmeester van Philharmonisch Orkest Mozart. Het interview met Belemir staat hieronder.

Op 8 en 9 december 2018 traden op: Tom Pritchard en Dámaso Escauriaza, studenten percussie aan het Conservatorium van Amsterdam.

In april 2018 traden op: Gabe Clarke (tenor) en Joris van Baar (bariton). Beiden studeren aan het Conservatorium van Amsterdam.

De afgelopen jaren gingen de volgende solisten hen voor: Diechje Minne (2016 – hoorn, foto boven), Seyithan Karabacak (2017 – contrabas) en Renate Apperloo (2017 – cello)

Het interview met harpiste Josefien de Waele:

‘Ik wil het publiek meenemen naar een andere wereld’

 De talentvolle Belgische harpiste Josefien de Waele (22) debuteert bij Philharmonisch Orkest Mozart met het harpconcert van Carl Reinecke. Josefien heeft deze kans met beide handen aangegrepen.

‘Mijn orkestleerkracht, Sandrine Chatron, speelt in het NedphO, zij is benaderd door jullie dirigent Leon Bosch. Toen ik gevraagd werd, heb ikmeteen ja gezegd. Het is een geweldige ervaring, want je krijgt niet zo vaak de kans om een volledig harpconcert uit te voeren met orkest.’

Wanneer heb je voor de harp gekozen?

 ‘Ik ben opgegroeid in Wichelen, een dorpje in Oost-Vlaanderen. Toen ik vier jaar oud was, zag ik een afbeelding van een harp in een kinderprogramma op televisie. Ik wist toen al dat ik zelf ook harp wilde spelen, terwijl ik nog niet eens wist hoe het instrument klonk. Van mijn ouders moest ik nog een paar jaar wachten, maar op mijn negende mocht ik naar de muziekschool.

Mijn ouders keken eerst raar op van mijn keuze. Thuis werd er namelijk nooit naar klassieke muziek geluisterd of was niemand daar mee bezig. Nu staan ze wel achter mijn keuze en komen ze ook graag naar mijn concerten.’

En hoe ben je in Amsterdam terecht gekomen?

 ‘Op mijn 18de, direct na de middelbare school, ben ik naar Amsterdam gegaan. Ik zit ik in het vierde jaar van de bachelor opleiding en volgend jaar in juni hoop ik af te studeren. Mijn keuze voor het Conservatorium van Amsterdam kwam vooral door aanraden van mijn eerste harpjuf in België, zij heeft ook gestudeerd bij de docent waar ik nu bij in de klas zit. Ik heb les van Erika Waardenburg, een bekende en gerenommeerde harpleerkracht. Mijn klas bestaat uit tien studenten, wat best veel is voor een harpklas. Op het conservatorium staan zeven pedaalharpen, dus ik hoef mijn eigen harp gelukkig niet mee te nemen. Voor belangrijke repetities regelen we onderling wie op welke harp speelt. Een harp neem je niet echt mee achterop de fiets, maar in de tram of trein heb ik ze wel al vaak vervoerd. Tijdens concerten speel ik het liefst op mijn eigen instrument.’

Hoe kom je aan een goede harp?

 ‘Ik heb mijn eigen harp tweedehands gekocht. Het is een Salvi, dat is een bekende Italiaanse bouwer.’

En je hebt de beschikking over nogal wat snaren en pedalen.

 ‘Een harp heeft 47 snaren, in het bovenste register zijn alle snaren van darm, in het onderste register zijn ze van metaal. Het is een instrument met een erg groot bereik. Een harp heeft bovendien ook zeven pedalen. Daarmee kan je moduleren, halve tonen maken. Tijdens het spelen is het belangrijk om goed te weten in welke toonsoort je speelt zodat je de pedalen in de juiste stand hebt staan. Vaak moet je erg vooruit denken, zodat de pedalen al juist staan voordat je de noten gaat spelen. Dat is best ingewikkeld.’

Wat vind je zo mooi aan de harp?

 ‘Ik hou heel erg van de klank, die is heel direct. En je komt zelf direct in aanraking met de snaren, er zit niets tussenin. Mensen denken vaak dat je met een harp alleen engelenmuziek kunt maken, maar je hebt juist heel veel mogelijkheden en je kunt er ook erg lelijke klanken uit het instrument krijgen. In moderne stukken worden vaak veel effecten gebruikt waarbij je op de snaren moet slaan, of geluid maakt met de pedalen. Soms ben ik wel jaloers op violisten en pianisten omdat zij zoveel repertoire hebben om te spelen. Het oeuvre voor harp is meer beperkt. Maar er is natuurlijk wel genoeg om me de rest van mijn carrière mee bezig te houden.’

 Kende je het harpconcert van Reinecke al?

 ‘Ik had het nog niet ingestudeerd. Het tweede, langzame deel is heel mooi. Het derde deel is technisch uitdagend en heel snel. Tijdens het studeren leer ik het stuk uit mijn hoofd. Eenvoudige dingen vergeet je eerder omdat je er minder op oefent. Ik heb niet echt een vaste planning wat het studeren betreft, mijn stemming bepaalt vaak mee hoeveel ik studeer. Dat is niet altijd handig. Het kan twee of drie uur zijn per dag, soms zes of zeven. Het hangt er ook vanaf hoeveel ik te doen heb en welk repertoire ik moet instuderen. Ik heb heel veel moeite met stukken instuderen die ik niet echt mooi of interessant vind. Maar vaak zie ik het niet echt als studeren omdat ik harp spelen ook gewoon heel erg leuk vind om te doen.’

Wie zijn je idolen?

 ‘Er zijn verschillende harpisten die ik goed vind. In België is Anneleen Lenaerts de bekendste. Ik luister ook graag concerten van Catrin Finch, zij communiceert op een geweldige manier met het publiek. Zij vertelt echt iets, brengt emoties over. Wanneer ik harp speel, ga ik vaak naar een andere wereld, een soort fantasie die ik voor mezelf heb gecreëerd. Tijdens een concert hoop ik het publiek daar even mee naar toe te nemen.’

Interview: Ewoud Nysingh

Interview met Belemir Baran:

Het Mozartorkest voelt als een grote familie’

 Belemir, je bent nu twee jaar concertmeester van het Mozartorkest. Hoe gaat het?

Ik heb de afgelopen twee jaar genoten. De leden van het orkest zijn heel erg aardig en warm. Het voelt voor mij alsof ik tot een grote familie behoor in plaats van dat ik concertmeester ben. Ik ben onder de indruk van de inzet van de leden van het orkest. Door de goede samenwerking zijn wij in staat om klassieke meesterwerken in te studeren en uit te voeren.

De Schotse symfonie van Mendelssohn is prachtig, verre van makkelijk ook. Kan het orkest dit stuk aan?

Ja, natuurlijk kan het orkest dat, en we kunnen nog veel meer uitdagende symfonieën spelen. Ik weet nog hoe we vorig jaar op werkelijk prachtige wijze de derde symfonie van Schubert speelden, en dat is ook een heel lastig werk. Tijdens de groepsrepetities werken wij altijd hard aan zowel technische als muzikale details tot iedereen zich comfortabel voelt. Daarna gaat het er om te genieten tijdens de uitvoering van deze schitterende Mendelssohn-symfonie.

 Jij soleert zelf met Tsjaikovski, Souvenir d’un lieu cher. Waarom dit stuk?

Toen onze dirigent Leon Bosch mij vroeg om Souvenir d’un lieu cher te spelen wist ik niet dat er een prachtig arrangement is voor viool en orkest van Alexander Glazoenov. Ik vind het heerlijk om het hele stuk te spelen, dus alle drie de delen: Méditation, Scherzo en Mélodie. Elk deel heeft zijn eigen karakter, heeft een eigen verhaal te vertellen. Dit alles in de unieke romantische muzikale taal van Tsjaikovski.

Je hebt je master viool gedaan aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, bij Theodora Geraets. Waarom heb je voor deze master gekozen?

Toen ik mijn bachelor deed in Turkije heb ik het plan opgevat om mijn master in Europa te doen. Ik heb toen op internet naar conservatoriumopleidingen gezocht, en ik heb bekeken wat de toelatingseisen waren. Nederland was de beste optie wegens het hoge niveau van de kunstopleidingen. Ik heb keihard gewerkt en me heel goed voorbereid. Toen werd ik aangenomen aan het Koninklijk Conservatorium met een beurs voor de vioolklas van Theodora Geraets.

Wat heb je van Theodora geleerd?

Natuurlijk heel veel op muzikaal en technisch gebied, maar het belangrijkste is dat ik van haar heb geleerd om elk detail van de muziek te analyseren en te voelen. Pas als je dat hebt gedaan kan je de muziek op een excellente wijze uitvoeren. Als ik studeer is mijn belangrijkste doel niet langer om het stuk technisch en muzikaal perfect uit te voeren. Ik probeer technische problemen op te lossen door meer muzikaal expressief te denken, door helemaal de diepte in te gaan, en zo mijn eigen interpretatie te creëren. Ik ben Theodora heel erg dankbaar dat ik door haar lessen een nieuw perspectief heb gekregen als uitvoerend musicus.

Wat doe je verder?

Ik ben heel erg blij, want ik heb net een verblijfsvergunning voor twee jaar gekregen. Het ministerie van Onderwijs vindt, zo blijkt uit de brief, mijn concertmeesterschap bij het Mozartorkest de belangrijkste reden voor het verlenen van de vergunning.

Ik vind het heerlijk om les te geven. Ik heb een vioolklas met leerlingen van verschillende nationaliteit, leeftijd en spelniveau.

Ik ben verder remplaçant in de Holland Orkest Combinatie, het Zeeuws Orkest en het Brabants Orkest. Met het Hodiernal Quartet speel ik werken van hedendaagse componisten, van wie de meesten zijn betrokken bij het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. In mei gaan we werken aan een balletproject van vier componisten uit Den Haag. De première is in 2020. En met de pianiste Isolde Troost geef ik recitals.

Interview: Ewoud Nysingh

Chops Duo: Tom Pritchard en Dámaso Escauriaza

‘Alles in Bach is mooi, je kunt niks faken’

De percussionisten Tom Pritchard en Dámaso Escauriaza, de solisten in het voor marimba’s bewerkte klavecimbelconcert van Bach, treden regelmatig samen op als het Chops Duo. Ze hebben elkaar leren kennen aan het Conservatorium van Amsterdam. De Britse Tom (21) en de Spaanse Dámaso (20) zijn nu in hun derde jaar.

Tom: ‘Wij hebben gekozen voor een studie aan het Conservatorium van Amsterdam omdat de docenten hier tot de internationale top behoren. We spelen alle slagwerkinstrumenten. Ik heb eigenlijk geen favoriet instrument, al hou ik erg van de vibrafoon en de roffeltrom (snare drum). Als je op alle slagwerkinstrumenten les krijgt, zoals wij, dan leer je ontzettend veel. Wij vinden het leuk om met orkesten te spelen, maar wij maken ook graag kamermuziek.’

‘Marimba speel ik al sinds mijn elfde jaar. Het geluid van een marimba is vooral in de bassen heel karakteristiek. Voor mensen die nog nooit een marimba hebben gehoord is de eerste keer dat ze het horen altijd heel speciaal. Gelukkig komt er steeds meer repertoire voor marimba, het instrument begint populairder te worden.’

‘Het arrangement van het klavecimbelconcert van Bach hebben we samen gemaakt. Dat was op zich niet heel moeilijk, het is technisch gezien niet lastig voor ons. Het ging vooral om het maken van keuzes. Over elke frasering moet je nadenken, en met welke je hand je wat speelt. Dat geldt voor alle vier de stemmen. Alles in dit stuk van Bach is zo mooi. Je kunt niets faken, alles wat je doet is hoorbaar. Dámasokrijgt veel ruimte om muziek te maken in het tweede deel, en ik in het derde deel.’

‘Ik weet nog niet wat ik ga doen als ik klaar ben aan het Conservatorium van Amsterdam. Een vaste baan, dat is heel lastig in deze tijd. Ik kom uit Yorkshire, ik vind Nederland zo plat. Misschien ga ik terug naar het noorden van Engeland. Maar de bergen van Zwitserland, dat lijkt me ook wel wat.’

Interview: Ewoud Nysingh

Renate Apperloo debuteert met de Rococo Variaties van Tsjaikovski

Het is een groot virtuoos werk, met humor en emotie’’

Celliste Renate Apperloo (21) debuteert bij Philharmonisch Orkest Mozart met de Rococo Variaties van Tsjaikovski.

Renate (21) studeert aan het Conservatorium van Amsterdam (derde jaar), speelt in het Helikon Strijkkwartet en volgde masterclasses bij onder anderen Xenia Jankovich, Pieter Wispelwey en Dmitri Ferschtman. Toeval of niet: een toen nog onbekende Pieter Wispelwey heeft in 1990 het celloconcert van Joseph Haydn in D-groot gespeeld met het Mozartorkest.

Wat leuk dat je bij het Mozartorkest soleert. Hoe ben je bij ons terechtgekomen?

“Mijn docent Michael Stirling, eerste cellist bij het Radio Filharmonisch Orkest, is bevriend met de dirigent van het Mozartorkest, Leon Bosch. Leon was op zoek naar een jonge celliste, dus zo kwam de vraag bij mij en ik heb direct ja gezegd.”

Hoe is de keuze op de Rococo Variaties van Tsjaikovski gevallen?

“Als kind heb ik Colin Carr de Rococo Variaties met orkest zien spelen. Het is me altijd bijgebleven. Net als een opname van Rostropovitsj. Het is een prachtig werk, ik geniet van de combinatie van Russische en Italiaanse elementen, de elegantie en sierlijkheid van de Rococo en er zit ook humor in! Ik vond het super dat het Mozartorkest me vroeg juist dit stuk uit te voeren. Deze zomer heb ik de Rococo Variaties afgewerkt met Jerome Pernoo en Romain Garioud op een cursus in Oostenrijk.

Waar zitten voor jou de uitdagingen in dit stuk?

“Er zit veel afwisseling in het werk, soms gaat de overgang van het een op het ander vrij vlot. De wisselwerking met het orkest is erg leuk, het op elkaar reageren, dat hoor je voornamelijk terug in de variaties 2 en 7.  Bij de twee langzame variaties – 3 en 6 – zie ik een balletscene voor me. Die zijn overigens, samen met de cadens, het meest emotioneel. Er zitten zeker ook behoorlijk virtuoze passages in. Met name de laatste variatie, die is zelfs berucht. Toch blijft het werk zijn elegantie en schoonheid behouden.”

En nu speel je voor het eerst met een symfonieorkest.

“Ik ben op mijn achtste begonnen met cello spelen. Als kind heb ik een keer het dubbelconcert voor twee cello’s van Vivaldi gespeeld met een orkest. Maar ik kan het me eigenlijk niet meer herinneren. Het voelt nu als de eerste keer dat ik echt met een symfonieorkest optreed, het is een groot virtuoos werk. Ik ben heel erg benieuwd. Ik kijk er naar uit.”

Wat is voor jou het ideale aantal studie-uren?

“Ik woon in een huis van het conservatorium bij het Vondelpark. Daar kan je vanaf 8 uur tot ’s avonds 11 uur studeren. Het is niet helemaal geluiddicht, maar het kan. Het liefst studeer ik op het conservatorium, zo’n  4 tot 5 uur per dag, dat is althans het streven. Soms meer. Het gaat er om dat het efficiënt is wat je doet.”

En je speelt ook in het Helikon strijkkwartet.

“Dat doe ik met vriendinnen die ik heb leren kennen op het Conservatorium. Het kost veel tijd maar je krijgt er veel voor terug, er is onwijs veel mooie muziek voor strijkkwartet geschreven en je leert er veel van. Het is een goede training voor je intonatie, je leert goed naar elkaar te luisteren en samen te spelen. We zijn in september 2015 begonnen, we vinden het leuk en we gaan steeds harder vooruit. Sinds dit jaar zijn we in opleiding bij de Nederlandse StrijkKwartet Academie. Dus we gaan door. Naast kwartet hou ik ook erg van barok, ik speel graag continuo in barokorkesten en doe mee aan projecten.”

Wat ga je doen na je afstuderen?

“Eerst moet ik nog mijn bachelor halen, dan nog een master. Voltijdsbanen in orkesten zijn er niet veel meer, maar vast in orkest spelen blijft het streven. Als mijn strijkkwartet behouden blijft ben ik heel erg gelukkig. En natuurlijk wil ik optreden als solist. Nu sta ik voor alles open, ook voor het buitenland. Muziek is een universele taal.”

Op wat voor een instrument speel je?

“Ik heb een nieuwbouwcello uit 2013, het is een kopie van een Guarneri. De cello is met een speciale techniek gekopieerd door Finnegan & Klaembt. Het geluid is heel erg warm, de cello heeft heel veel power. Het komt dicht in de buurt van het origineel.”

Interview: Ewoud Nysingh

Interview met Diechje Minne

‘Dit is een fantastische kans voor mij’

De talentvolle Belgische hoorniste Diechje Minne speelt het eerste hoornconcert van Richard Strauss met  Philharmonisch Orkest Mozart, het oudste symfonieorkest van Amsterdam. Diechje (24) staat voor het eerst voor een symfonieorkest: ‘Het gaat helemaal goed komen.’

Hoe is het zo gekomen, dat jij soleert bij Philharmonisch Orkest Mozart?

‘Vorig jaar studeerde ik aan het Conservatorium van Amsterdam. Ik kon toen auditie doen voor een academieplaats bij het NedPho, het Nederlands Philharmonisch Orkest. Dan doe je een jaar ervaring op bij een toporkest. Bij het NedPho heb ik jullie dirigent leren kennen Léon Bosch, solo-klarinettist bij datzelfde NedPho. Léon heeft mij gevraagd. Hij wil vaker jonge musici laten soleren met het Mozartorkest.
Voor mij is dit een fantastische kans om voor een symfonieorkest te staan. Het is de eerste keer. Als ik soleer is dat altijd met pianobegeleiding of met een harmonieorkest in België.’

Waarom ben je hoorn gaan spelen?

‘Mijn grootvader heeft de harmonie in ons dorp opgericht. Mijn ouders hebben elkaar in de harmonie leren kennen. Mijn nonkels en tantes spelen er ook. Er waren hoorns tekort. Maar dat is niet de reden voor mijn keuze. Mijn moeder speelt dwarsfluit, en dat wilde ik eerst ook. Maar zij wou mij een bredere kijk geven op alle instrumenten. Toen ben ik samen met haar – ik was tien jaar – in een aantal klassen op de muziekschool gaan luisteren en toen ik de hoornklas binnenstapte, wist ik het.’

Waarom?

‘De klank! Ik hoor het heel graag. Het is een warme, ronde klank.”

Wat is er moeilijk aan hoorn spelen?

‘Het mondstuk is klein en fijn, en bij hoorn liggen de hoge noten, de natuurtonen, heel dicht bij elkaar. Dat maakt het soms moeilijk om geen verkeerde noot te spelen. In de Belgische volksmond noemen wij dit rateren van het Franse rater; in Nederland spreekt men van kicksen. Ook zitten er slechts drie ventielen op een hoorn. Veel noten speel je met dezelfde grepen. Je doet dus heel veel met embouchure en lucht. Je moet een goede conditie hebben. Ik ga regelmatig hardlopen.’

Wat doen hoornisten met hun rechterhand?

‘Die plaatsen wij in de klankbeker om een mooie, ronde klank te bekomen. Doen wij dit niet, dan gaat de klank automatisch scherper klinken, en gaat de intonatie ook een stuk omhoog.’

Hoe was de eerste repetitie met Philharmonisch Orkest Mozart?

‘Met een hoorn moet je altijd boven het orkest zien uit te komen. Je moet het orkest dragen. Forte moet dus echt forte zijn. En ik moet het orkest dwingen om bepaalde passages zachter te spelen. De eerste repetitie met het orkest was in dat opzicht een openbaring voor mij. En de muziek van Richard Strauss klonk zoveel mooier. De bogen die je maakt, de lyrische lijnen, ze zijn zoveel logischer als je met het orkest speelt. Het is echt anders als je soleert met een pianist die de hele concertpartij speelt.’

Je staat tijdens het concert met je gezicht naar het publiek, het geluid gaat niet rechtstreeks de zaal in. Is dat een nadeel?

‘Het geluid van een hoornist bereikt het publiek altijd op een indirecte wijze. Het weerkaatst tegen een muur of een gordijn achter het orkest. Je kunt wel een beetje anders gaan staan, zodat het geluid meer direct de zaal in gaat, maar indirect is toch het mooist.’

De vader van Richard Strauss was hoornist. Merk je dat in dit concert?

‘Ja. Alle aspecten van hoorn spelen komen in dit concert terug: hoog, laag, lyrisch, de techniek. Ik speel het graag maar het is niet gemakkelijk. Het eerste hoornconcert van Richard Strauss is het standaard klassieke concert voor hoornisten. Op audities moet je altijd het eerste deel spelen. Nu mag ik eindelijk ook deel twee en drie spelen. Ik kijk er helemaal naar uit.’

Afgelopen zomer heb je je master hoorn gehaald aan het Conservatorium van Amsterdam. Hoe nu verder?

‘Als freelancer pendel ik vanuit mijn woonplaats Antwerpen op een neer tussen België en Nederland. Ik remplaceer in een groot aantal orkesten, waaronder het Brussels Philharmonic, het Gelders Orkest, Philharmonie Zuidnederland… Ook in het NedPho kom ik nog terug. En ik speel kamermuziek met een aantal ensembles. Ik hoop ooit een vaste baan te krijgen in een orkest. Auditeren is niet gemakkelijk, achter een scherm en dan tien minuten spelen. Maar ik ga er graag voor. Intussen blijf ik als freelancer heel veel ervaring op doen.’

interview: Ewoud Nysingh
foto: Ula Wiznerowicz